Categorie: werkwoordspelling

23. Werkwoordspelling
23. Werkwoordspelling

“Iedereen krijgt t(hee), behalve ik, en jij als je te laat komt”.

Dat was de ene regel die mijn meester in groep 8 er goed in had gedrild. Hij kon mooie theekopjes op het bord tekenen, dat zeker. Behalve deze regel is de werkwoordspelling mij op de basisschool echter nooit helemaal duidelijk geworden. Elk opstel kwam terug met rode strepen, maar hoe ik die rode strepen kon vermijden? Ik probeerde maar wat, goochelde met regels, en schreef zo lange tijd ‘hij werdt’, want ‘hij’ krijgt toch t?

Op een gegeven moment vielen er bij mij steeds meer kwartjes. Het is niet magisch en eigenlijk helemaal niet zo moeilijk, iedereen kan foutloos leren schrijven. Mijn eigen verwarring hierover, die ik mij nog goed weet te herinneren, maakt dat ik mij prima kan inleven in kinderen die mij enigszins wanhopig aankijken. Maar waarom dan juf, waarom al die vervelende regels?

Mijn meester uit groep 8 had het wel goed bedacht, leer kinderen een paar altijd toepasbare regels en ze kunnen de meeste spelfouten vermijden. Bij mij ontbrak er echter nog wat kennis. Lange tijd schreef ik bijvoorbeeld voltooid deelwoorden regelmatig met ‘dt’, daar had ik de regel nooit voor opgeslagen, dus deed maar wat. Voltooid deelwoord in een zin met ‘ik’ als onderwerp niet met dt, in een zin met ‘hij’ wel. Het slaat nergens op, maar als je ronddwaalt in de mist probeer je ergens het licht te vinden.

Volgens mij is het probleem dat er vaak wat stappen worden overgeslagen. Beginnen met regels voor de werkwoordspelling wordt bijvoorbeeld erg verwarrend als je de persoonsvorm, het onderwerp en het voltooid deelwoord nog niet uit een zin kunt halen. Ik begin daarom altijd met de zinsontleding.

Daarna beginnen we met de tegenwoordige tijd, dan de verleden tijd en het voltooid deelwoord, en maken de zinnen steeds moeilijker. Bij het oefenen blijken wat vuistregels voor veel kinderen heel fijn. De gulden regels die ik met kinderen herhaal zijn:

  • Voltooid deelwoorden eindigen nooit op ‘dt’. Simpel genoeg, zijn geen uitzonderingen op (maar het gaat vaak genoeg fout).
  • Is ‘ik’ het onderwerp? Dan nooit een t! Ook niet bij worden, raden, of rijden. De foto bij dit bericht komt overigens van de website ‘taalvoutjes.nl’. Amusant tijdverdrijf als je niets anders te doen hebt.
  • Is ‘jij’ het onderwerp en staat het vóór de persoonsvorm, dan wel een t. Staat jij achter de persoonsvorm, dan geen t (als ‘jij’ te laat komt krijg je geen t).
  • Verleden tijd, dan is de thee koud. Nooit ‘dt’ in de verleden tijd dus.
Op zoek naar bijles of remedial teaching in Zeist, Utrecht of De Bilt?